Tagged fietsen

Wielrennen is jezelf bedotten

Fietsers houden zichzelf graag voor de gek. Want wie wurmt zich nou voor zijn plezier in zo’n strak pakje dat elke vetrol in al zijn glorie aan de wereld toont? Het antwoord op die vraag luidt: half Nijmegen.

Ga maar eens op een zonnige weekenddag naar Tivoli in Berg en Dal en turf hoeveel wielrenners de Duivelsberg bestijgen. Of trek de Ooijpolder in, ontwijk alle motorrijders, wandelaars en automobilisten, en tel de fietsers. Je komt ogen te kort.

En dat is begrijpelijk. Met polders, bossen en heuvels vind je rond Nijmegen alles wat je wielerhartje begeert. En dus ook alle mogelijkheden om jezelf in het ootje te nemen. Want dat doen wielrenners.

Goed voor de lijn
Neem bijvoorbeeld de gedachte dat fietsen goed is voor de lijn. Het is ongetwijfeld gezonder dan met een biertje en een zak chips op de bank naar de radio luisteren en NEC aanmoedigen.Wielermenu: koffie of thee met appelgebak

Maar voor snel resultaat op de weegschaal hoef je niet je racefiets uit de schuur te halen. Ik in ieder geval niet. Dat kan trouwens ook liggen aan de wielertraditie van koffie en appeltaart op het terras halverwege de tocht. ‘Dat hebben we verdiend’, zuchten mijn kompanen en ik en we ploffen neer in een stoel. Het nuttigen van Belgische biertjes na afloop is nog zo’n traditie.

Het kan lichter
Wanneer ik een steile helling beklim, zoals de Oude Holleweg of het laatste stukje van de Van Randwijckweg, dan houd ik mezelf ook graag voor de gek. Ik klim het liefst in de één-na-lichtste versnelling. Want dan kan ik altijd nog een tandje lichter schakelen.

Dan maalt als een mantra door mijn hoofd: ‘het kan lichter, het kan lichter, het kan lichter.’ Niet dat dat uit zou maken. Die benen ontploffen toch wel.

Zogenaamd voor de lol
Fietsen draait om competitie en snelheid, ookal doe je het zogenaamd puur voor de lol: wie sprint als eerste voorbij het plaatsnaambordje? Wie kan tegen de wind in de kop houden en wie hapt naar adem in het wiel? Wie komt als eerste boven op een heuvel?

Omhoog naar Tivoli word ik nog wel eens ingehaald, vaak door een renner die ‘hoi’ zegt alsof hij ook best nog een jazzimprovisatie op de tenorsax ten gehore had kunnen brengen. Ik  heb dan slechts twee mogelijkheden: het zuur in mijn benen trappen om aan te haken.

Of excuses bedenken voor mijn achterblijven:

‘Hij is vast pas net opgestapt terwijl ik al uren rondrijd. Hij hoeft tien kilo minder omhoog te trappen. De wijn van gisteren zit nog in mijn benen. Ik moest er vannacht drie keer uit voor de kleine, hij is vast vrijgezel. Verlaten door zijn vriendin die gek werd van het getik van de wielerschoenen op het nieuwe, nog ongeschonden kliklaminaat dat haar vader had gelegd terwijl de zijne veel dichterbij woont en waarom heeft hij het zelf niet gedaan? Meneer moest zeker weer gaan fietsen te lui om een vinger uit te steken wat doet hij eigenlijk wél in huis, wat zie ik in hem, houd ik wel van hem waarom zijn we eigenlijk nog samen?’

Fietsers houden zichzelf graag voor de gek, maar hun naasten laten zich minder makkelijk bedotten.

Deze blog verscheen eerder bij Nijmegen Direct.