Fladderiep

Zelden zo helder het kwartje horen vallen.

Met het oog op morgen besteedde aandacht aan het bomentekort in Nederland. Een medewerker van de zadenbank van Staatsbosbeheer legde uit dat er een grote vraag naar jonge bomen is. Presentator Chris Kijne wilde weten wat de populairste bomen en struiken zijn.

‘Fladderiep, winterwinde, kamperfoelie, zuurbes, meidoorn’, antwoordde de deskundige. De fladderiep kende Kijne niet: ‘Hoe ziet die eruit?’

‘Dat is eigenlijk een iep, die…’

En daar rinkelde het kwartje door de studio: ‘Oooh, een fladder-iep’. Terwijl de zadenbankman nog even verder-oreerde over de fladderiep (een schilderachtige kroon op latere leeftijd, prachtige herfstkleuren, onbereikbaar voor de iepziekte), leek de radioman – wellicht uit gêne voor zijn publieke ontdekking –  snel door te willen met het gesprek, weg van de fladderiep. Hierdoor bleef ik zitten met een vraag: waarom heet de fladderiep ‘fladderiep’?

Komt de boom oorspronkelijk uit het Friese dorpje Fladderiep waar op de hoogste terp een onterecht vergeten dichter is geboren? Is het een eerbetoon aan kale Fladde die elke dag in de deuropening van de plaatselijke boekwinkel ging staan en naar binnen riep: ‘Dit is een overval!’ Of is het een van grootmoeders beste gerechten: ‘Heeft u weer Fladderiep met kaneel en krenten gemaakt, oma?’ ‘Natuurlijk, lieverd.’

Ik kan het antwoord allicht online vinden, maar ik houd de fladderiep liever zoals hij nu is: schilderachtig, herfstig en onbereikbaar.

Over intervallen op een Bossche bol

‘Met de afstand gaat het goed, nu wordt het tijd om aan je snelheid te gaan werken.’ Dit advies gaf fysio L me een paar maanden geleden. Hij had me sinds december weer aan het hardlopen gekregen met zijn vaardige vingers, welgeplaatste naalden en nare maar noodzakelijke krachtoefeningen.

Ik sloeg dus vrolijk aan het intervallen. Thuis in Nijmegen was dat prima te doen. Steeds een minuutje langer en een tempo hoger. De training wierp zijn vruchten af: een wedstrijd over vijf kilometer half juni ging harder dan verwacht.

Gelukkig maar, want na de zomervakantie wil ik me aansluiten bij de loopclub van schoonbroer S. De intervaltrainingen die ze daar op de atletiekbaan doen, zien er behoorlijk intimiderend uit. Ook daarom wil ik tijdens mijn vakantie doorgaan met intervallen.

Omhoog of omlaag
Maar dat valt niet mee, op vakantie in de Auvergne. Het landschap hier heeft veel weg van een doos Bossche bollen: dicht op elkaar geplaatste heuvels waarbij je zo van de hoogtelijn afglijdt. Je kunt maar twee kaWat? Geen selfie?nten op: omhoog of omlaag. Ben ik de ene heuvel over geploeterd, dan ligt direct de volgende op me te wachten. Niet ideaal voor een training op een hoog en gelijkmatig tempo.

Na een week van heuveltrainingen puzzel ik een rondje in elkaar voor een intervaltraining van 6 x 5 minuten. Het tempo laat ik open want met deze hoogteverschillen lijkt me dat weinig zinvol. Dat blijkt ook wel: de snelste herhaling gaat ruim drie minuten per kilometer sneller dan de traagste.

Jungle
Dat verschil zit ‘m niet alleen in het stijgen en dalen maar ook in de ondergrond. Onverharde paden zijn prachtig maar ze hebben het ook voorzien op lijf en leden. Kuilen, wortels en stenen, bramenstruiken en ander stekelig groen, overhangende takken, wolven, rupsen, teken: it’s a jungle out there.

Heuvelop ga ik kapot. Ik grijp dan ook elke mogelijkheid aan om wat extra te kunnen rusten. Boer met een brede trekker op het smalle pad? Hardwerkende mensen verdienen alle ruimte. Moest ik hier nu links of rechts? Even pauzeren om de route te checken. Een wandelaar met loslopende honden? Beter even wandelen want voor je het weet, hangt er een teckel in je kuit of een herder in je hamstring.

Voor mijn volgende intervaltraining blijf ik dus toch maar op het asfalt. En ik ga speuren naar een gebied dat minder op een Bossche bol lijkt en meer op een tompouce.

Zeker geen ezel

Ik heb de laatste tijd een intense hekel ontwikkeld aan die dikke vriend van Asterix. Niet omdat hij zich steevast agressief opstelt jegens zwijnen en Romeinen. Niet omdat hij hypergevoelig doet over zijn omvang. Ook niet omdat hij permanent onder de doping zit en zelfs niet vanwege zijn intolerante uitlatingen over mensen met andere gebruiken (‘Rare jongens, die…). Ik vind die Obelix behoorlijk irritant vanwege zijn gewoonte om overal maar van die nutteloze keien achter te laten. Kies daarvoor een verlaten eiland midden in de oceaan waar toch niemand komt, maar zet ze niet op plekken waar ik aan het hardlopen ben. Want dan loop ik ertegenaan en stoot ik me. Geheid.

Mijn lopersloopbaan is er een van lekker lopen, overenthousiast raken, blessure, herstellen, lekker lopen, overenthousiast raken, blessure, …. Ik ben dan ook zeker geen ezel, want die hebben de naam zich niet twee keer aan dezelfde steen te stoten, terwijl ik de steen van overbelasting maar niet weet te ontwijken. Hoe braaf ik mijn krachtoefeningen ook doe, hoe voorzichtig ik ook opbouw, vroeg of laat volgt er weer een training waarin ik te hard of te ver loop met een paar dagen (of langer) verplichte rust tot gevolg.

Vorig weekend had ik weer zo’n te lange, te snelle trainingsloop. Al was deze training niet langer en amper sneller dan de duurloop van de week ervoor. Of het lag aan het herstelloopje van de dag erna, waar ik beter een dag rust had kunnen nemen. Hoe dan ook, het resultaat was een paar dagen last van mijn scheen – een blessure die me al heel wat maanden plaagt. Extra spijtig omdat het de laatste weken erg goed ging en ik me niet meer als ‘geblesseerd’ beschouwde, maar als iemand met ‘een scheen om voorzichtig mee te zijn’. Ik was zelfs van plan om tijdens de Overbetuweloop weer een echte wedstrijd te gaan rennen. Tot Obelix weer een menhir voor me neerzette om tegenaan te knallen.

Natuurlijk zijn mijn blessures niet de schuld van die vleesetende, intolerante, hoogsensitieve Galliër, maar aan mijn eigen loopgedrag. Meestal gedraag ik me verstandig, soms onbezonnen. Gelukkig is hardlopen leuk genoeg om na elke blessure terug te willen komen. Ik heb vandaag de benen – en vooral de scheen – getest en na een warming-up, een paar versnellingen en een rappe halve kilometer staat het looplicht weer op groen. Dus op naar de 5 kilometer van Elst met schoonbroer S. Ook hij is net weer hersteld van een blessure. Rare jongens, die hardlopers!

Dit is het moment

Ik was op een plein, pen in mijn vuist, punt naar de hemel.

Naast me een vrouw met een zwarte sjaal om.

Ze leek langer door het potlood boven haar hoofd,

omvatte het als een fakkel.

Aan mijn andere kant een man met een baard,

een niet-bedreigende, veilige baard.

Hij stak een stift omhoog.

 

We hoorden woorden als rotsen,

beschenen door de avondzon,

woorden als samen en één en juist nu.

 

Sinds kort kennen we het zwaard weer, kennen we weer kogels.

 

We klapten en riepen allemaal één mening

en we zwegen want we wisten wanneer dat gepast was.

 

Regendruppels rolden mijn mouw in.

Ik zette een stapje achteruit, bang dat het meisje voor me

haar paraplu per ongeluk in mijn gezicht zou prikken.

 

Pen, dit is het moment.

Ik wil in je geloven, al twijfel ik,

al vrees ik de dag dat we hier weer staan

op dit plein, op dit veld, in dit park,

met onze geschokte kreten, onze boze borden

en onze inkt die voor de regen op de vlucht slaat,

een schuilplaats zoekt in de aarde tot het land,

verzadigd, zijn aderen sluit voor

onze strepen en letters.

 

Vanavond tekenen we als één hand.

Ik ben ik en ik ben iemand anders.

De vrouw met de zwarte sjaal is zichzelf

en iemand anders.

We zijn allemaal even iemand anders.