Tagged Nederlands

Vaak / Vak

In november is er vaak een … wind.
a) harde
b) hoge

Een van de cursisten uit mijn klas Nederlands leest de zin voor en vult het goede antwoord in. Ik zie de meeste anderen knikken. Een van hen steekt zijn vinger op: ‘Wat betekent “vaak”?’ Hij spreekt het uit als [vak].

Het beantwoorden van dit soort vragen vereist improvisatie. Vertalen kan niet want in de les wordt alleen Nederlands gesproken. Ze komen er nu eenmaal om deze taal te leren. Bovendien begrijpt niet iedereen Engels.

Ik schrijf boven aan het bord ‘altijd’ en onderaan ‘nooit’. Die woorden kennen ze. Daartussen, iets boven ‘nooit’, komt ‘soms’ te staan. En iets onder ‘altijd’ verschijnt ‘vaak’. Ze knikken.

Ik leg uit dat je het uitspreekt met een lange aa, en doe het overdreven gerekt voor: ‘vaaak’. We kennen ook het woord ‘vak’ met een korte a. Ik schrijf het woord op het bord en doe de uitspraak voor.

Meteen begint A. uit Roemenië te glimlachen. Ook F. uit Bulgarije moet gniffelen. Binnen een paar tellen buldert de hele klas. Verbaasd kijk ik ze aan.
Dan dringt het tot me door dat het woord voor hen niet verwijst naar ambacht, winkelschap of studieonderdeel, maar dat [vak] hetzelfde klinkt als een veelgebruikt Engels woord.


Ik geef iedere week Nederlands aan migranten bij stichting Intercity in Nijmegen.
Deze blog is ook verschenen op
Nijmegen Direct.

 

Is dat duidelijk?

Of je nu een strip maakt, een gedicht voordraagt of een webtekst redigeert, je wilt dat de lezer begrijpt waar je het over hebt. Maar daar komt heel wat bij kijken.

Zo moet je als striplezer weten dat een blok hout met een zaag erin betekent dat iemand ligt te slapen; dat een gedicht over slaap ook kan gaan over de dood (maar niet altijd); en dat je op internet voor meer informatie kunt klikken op een onderstreepte tekst (tenzij het een dode link is).

Als je de taal van strip, gedicht of internet niet begrijpt, gaat er van alles langs je heen. Dit geldt al helemaal als je de omgangstaal niet spreekt.

Nederlandse les
Dat merk ik wekelijks want sinds kort geef ik Nederlandse les aan migranten. De meesten van mijn negen cursisten zijn hier nog niet zo lang. Ze spreken weinig Nederlands. Hoe leg je ze dan bijvoorbeeld het verschil uit tussen ‘je’ en ‘u’?

Letterlijk met handen (en voeten). Bij ‘je’ spreid ik mijn armen en doe alsof ik iemand omhels: ‘je’ zeg je tegen vrienden, tegen mensen die je kent. Spreek je iemand aan met zijn voornaam, dan gebruik je ‘je’.

Bij ‘u’ steek ik mijn hand zakelijk uit alsof ik iemand de hand schud. Ik kijk formeel en geef een knikje: ‘u’ zeg je tegen onbekenden, tegen mensen die je aanspreekt met ‘meneer’ of ‘mevrouw’.

Ik deel een vel papier uit met daarop foto’s van mensen die elkaar begroeten. De vraag luidt: ‘Hoe spreken deze mensen elkaar aan?’ Ik merk tijdens het maken van de opdracht dat de cursisten het doorhebben. Hoewel ik het antwoord al weet, vraag ik na de bespreking van de foto’s of het zo duidelijk is.

Achter in de klas steekt H. uit Somalië aarzelend zijn hand op. ‘Wat betekent dat: “duidelijk”?’


Ik geef iedere week Nederlands aan migranten bij stichting Intercity in Nijmegen.